maandag 21 oktober 2013

Schuilen voor de nacht (*)




















Na een klimtocht door een haast ondoordringbaar bos bevond ik me plots op de top van een heuvel temidden van de varens. Gezeten op één van de stenen - warm en zacht omwille van de begroeiing met mos - stelde ik me voor hoe het zou zijn om hier de nacht door te brengen. Misschien klinkt het vreemd, maar  wanneer ik me in de buurt van megalieten bevind, overvalt me steeds een soort gelatenheid en rust die ik moeilijk onder woorden kan brengen. Dit schitterende gedicht van Anton van Wilderode, dat ik vorige week tijdens een lezing voor de eerste keer hoorde, omschrijft het echter perfect in mijn plaats...



Het land der mensen (1952)

Ik lig in een landschap van heuvels alleen
met bloemen en water en gras;
de tijd liet mij los en liep ijlings heen,
nu ben ik een mosbed, een zwervende steen
of een vlijmscherpe splinter van glas.

Het water beneden maalt binnen zijn boord,
de bloem legt haar bloemenhart bloot;
als de wind herbegint is het grasvlak gestoord
met een snelle golf die vloeit blinkende voort
als de voorgolf, ineens van de dood.

Met de laatste mens is het laatste gesprek
op het zwijgen der dingen gestrand;
natuur graaft zich in onder herfstelijk dek;
de bomen staan naakt met een twijgenhek
voor een zeekim van zilver en zand.

Ik lig in de schoot van de heuvels alleen
en het licht van de zomer verdooft;
het water spoelt koud op zijn bodem van steen
en mijn hart, als van hoorn of elpenbeen,
stuwt zijn laatste bloed naar mijn hoofd.



Anton van Wilderode (1918 - 1998) 






Indien u in de buurt van het Waasland woont kan u donderdagavond a.s om 20.00 u in de bibliotheek van Sint-Niklaas, een lezing bijwonen over het werk van deze dichter, door Mevr. Beatrijs van Craenenbroeck, oprichter en secretaris generaal van de Internationale Vriendenkring Anton van Wilderode.





* L' allée couverte de Treal nabij Saint-Just-ille-et-Villaine

Men vermoedt dat ongeveer 450.000 jaar geleden in Bretagne de eerste keien werden geslepen door toen nog jagers-verzamelaars die door het gebied trokken, overblijfselen van de prehistorie, daterend uit het tijdperk van het vuur, zijn teruggevonden in gebieden die nu door de zee zijn ingenomen, in de ria's van Auray of de abers (zeearmen) van Noord-Finistère. De meeste sporen van beschaving zijn echter 10.000 jaar geleden verdwenen, wellicht tijdens het smelten van de grote gletsjers. Een gebeuren dat mogelijk de mythe van de verzonken steden verklaart, zoals die van de stad Ys in de baai van Douarnemez.

Na de jagers-verzamelaars gingen agrarische bevolkingsgroepen zich hier vestigen. Het begin van het Neolithicum. Om hun doden te eren, richtten deze gemeenschappen megalieten op; stapelden ze stenen op elkaar en bouwden ze grafgangen en –heuvels. Die kunst bereikte het hoogtepunt in de Vannetais, tussen het 5e en 2e millennium v.Chr. wat betekent dat sommige van deze werken dateren van 2500 jaar voor de bouw van de Egyptische piramides. De bekendste rijen met stenen bevinden zich in Carnac, gevolgd door die van Saint-Just.
Saint-Just voelt als een heilige plaats en wordt gekenmerkt door zijn droge heidevelden die door de mensen uit het Neolithicum verschillende millennia lang werden bezocht. Hier bevinden zich een voor Europa unieke verzameling megalithische monumenten die wel heiligdommen lijken.De overdekte gang van Treal (foto) een vermoedelijke begraafplaats vertoont (o.a. door de typische zijingang) overeenkomsten met soortgelijke monumenten in Denemarken en Noord-Duitsland. Ze bevindt zich op de top van een heuvel "de bult van Treal" genaamd. Wanneer je het pad beklimt dat vertrekt vanaf de autoweg kan je helemaal op de top deze rups van rotsblokken (uit puddingsteen van Montfort) ontdekken met een lengte van 15,5 en een hoogte van 1,2 m waarvan men in een oude legende beweert dat hier in de vroegste tijden een reuzenkind speelde en er zijn melktanden verloor.

Tijdens opgravingen werden potten, pijlpunten en oorhangers in bergkristal gevonden die dateren van 2500 voor Christus. Maar voorwerpen uit silex die er eveneens werden opgegraven tonen aan dat de rots van Treal al sinds 4000 jaar voor onze tijdrekening werd bewoond.






Geen opmerkingen :

Een reactie plaatsen